Welke gevolgen heeft de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (Wet dba) voor de toepassing van de WNT?

Het is aan de instelling om te beoordelen of de arbeidsrelatie met de topfunctionaris al dan niet op een echte of fictieve dienstbetrekking in de zin van de Wet op de loonbelasting is gebaseerd. Sinds de inwerkingtreding van de Wet dba op 1 mei 2016 zijn de regels en criteria voor de beoordeling van de arbeidsrelatie gewijzigd en deels aangescherpt (handhavingsmoratorium). Zoals aangekondigd in de zesde voortgangsbrief Werken als zelfstandige  d.d. 16 november 2020 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2020-2021, 31 311, nr. 236) is de handhaving door de Belastingdienst van de Wet dba uitgesteld tot ten minste 1 oktober 2021, afgezien van situaties waarin sprake is van kwaadwillendheid.

De accountant mag voor de beoordeling van een arbeidsrelatie het oordeel van de instelling volgen, tenzij hij concrete aanwijzingen heeft voor de onjuistheid van dit oordeel. De accountant hoeft in zijn oordeel geen rekening te houden met het risico van een eventuele naheffingsaanslag.

Indien de belastinginspecteur achteraf tot een naheffingsaanslag voor de loonheffingen overgaat, geldt voor de toepassing van de WNT voor de periode waarover de naheffingsaanslag wordt opgelegd alsnog dat de topfunctie ‘in dienstbetrekking’ is vervuld. Dit betekent dat met terugwerkende kracht een ander (lager) WNT-maximum kan gelden.  Op het corrigeren van de WNT-verantwoordingen uit eerdere jaren zijn de regels voor foutherstel van toepassing. Zie hiervoor de Q&A “Wat moet een WNT-instelling doen als fouten worden geconstateerd in de WNT-verantwoording na vaststelling van de jaarrekening?”

Mogelijk komen er als gevolg van een lager toepasselijk maximum onverschuldigde betalingen aan het licht. De accountant meldt eventuele onverschuldigde betalingen  bij de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties als deze op het tijdstip waarop de accountant zijn oordeel geeft over het financieel verslaggevingsdocument nog niet zijn terugbetaald.