Wordt een transitievergoeding beschouwd als uitkering wegens beëindiging van het dienstverband (ontslagvergoeding) en door de WNT genormeerd?

Een transitievergoeding wordt beschouwd als uitkering wegens beëindiging van het dienstverband. Of de transitievergoeding wel of niet door de WNT wordt genormeerd, hangt ervan af of de transitievergoeding aangemerkt kan worden als een uitkering die rechtstreeks, dwingend en eenduidig uit een wettelijk voorschrift voortvloeit.

Voor zover uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband rechtstreeks, dwingend en eenduidig voortvloeien uit een wettelijk voorschrift, vallen die namelijk voor de toepassing van de WNT buiten de definitie van uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband. Dergelijke uitkeringen worden dus niet door de WNT genormeerd en vallen buiten de in de WNT-verantwoording op te nemen uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband.

Een transitievergoeding wordt als een wettelijke transitievergoeding in de zin van de WNT beschouwd en als zodanig niet door de WNT genormeerd, voor zover:

  1. het recht op de transitievergoeding rechtstreeks, dwingend en eenduidig voortvloeit uit artikel 673, eerste lid, van Boek 7 BW. Daarvan is sprake als het dienstverband is geëindigd door middel van een van de in die wetsbepaling genoemde beëindigingshandelingen (ontbinding, opzegging of einde van rechtswege op initiatief van de werkgever of, uitsluitend bij ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door de werkgever, op initiatief van de werknemer). Er mag dus geen sprake zijn van een ontslag met wederzijds goedvinden (dat wil zeggen op initiatief van beide partijen); en  
  2. de transitievergoeding op de wijze, geregeld in artikel 673, tweede lid, van Boek 7 BW, is berekend. Als een hogere transitievergoeding is afgesproken dan het bedrag waarop bij zuivere toepassing van die wetsbepaling recht bestaat, wordt het meerdere voor de WNT beschouwd als een niet-wettelijke transitievergoeding.

Als aan beide voorwaarden wordt voldaan, geldt de transitievergoeding als een wettelijke transitievergoeding in de zin van de WNT en dus niet als uitkering wegens beëindiging van het dienstverband als bedoeld in de WNT (artikel 1.1, onderdeel i, van de WNT). Hierdoor is een dergelijke transitievergoeding niet genormeerd en hoeft deze niet openbaar gemaakt te worden in de WNT-verantwoording. 

Ook ingeval de transitievergoeding in een vaststellingsovereenkomst op grond van artikel 900 van Boek 7 BW is opgenomen, kán sprake zijn van een wettelijke transitievergoeding in de zin van de WNT. Recht op een wettelijke transitievergoeding kan zoals gezegd ontstaan indien het dienstverband wordt beëindigd door ontbinding, opzegging of einde van rechtswege op initiatief van de werkgever (hierna aangeduid als beëindigingshandeling). Het is mogelijk dat daarna een vaststellingsovereenkomst op grond van genoemde BW-bepaling wordt opgesteld en gesloten voor de (praktische en/of financiële) afwikkeling van het dienstverband. Indien de transitievergoeding is opgenomen in een vaststellingsovereenkomst op grond van deze bepaling die na de beëindigingshandeling is opgesteld en overeengekomen ter afwikkeling van het dienstverband, verandert dit niets aan het wettelijk recht op de transitievergoeding. Het initiatief tot het beëindigen van het dienstverband moet wel van de werkgever zijn uitgegaan en aan de topfunctionaris zijn medegedeeld of kenbaar gemaakt vóórdat de onderhandelingen over de invulling en afwikkeling van de beëindiging van het dienstverband zijn begonnen. Voor zover dit aantoonbaar is, is er dus ook sprake van een wettelijke transitievergoeding in de zin van de WNT.

Als een instelling een uitkering wegens beëindiging van het dienstverband aanmerkt als een wettelijke transitievergoeding, is het aan partijen om tegenover de accountant of de toezichthouder het volgende aan te tonen:

  1. dat sprake is van een beëindiging van het dienstverband door ontbinding, opzegging of einde van rechtswege op initiatief van de werkgever conform artikel 673, eerste lid, van Boek 7 BW. Dit kan bijvoorbeeld door een door de instelling aan de betrokken functionaris gezonden opzegbrief, welke voorafgaat aan een eventuele nadere vaststellingsovereenkomst op grond van eerder genoemd artikel 900 van Boek 7 BW waarin afspraken worden gemaakt over de praktische afwikkeling,
  2. alsmede dat de transitievergoeding conform het tweede lid van deze bepaling is berekend.

Partijen moeten ook de berekening van de hoogte van de wettelijke transitievergoeding kunnen overleggen, zodat gecontroleerd kan worden of die zuiver conform artikel 673, tweede lid, van Boek 7 BW is berekend, zonder niet-wettelijke componenten.

Indien de term “transitievergoeding” (dus geen wettelijke transitievergoeding, zoals bovenomschreven) echter wordt opgenomen in een overeenkomst waarin partijen gezamenlijk afspreken dat de arbeidsovereenkomst zal eindigen (“beëindiging met wederzijds goedvinden”), bestaat géén wettelijk recht op een transitievergoeding. Er is in die situatie voor toepassing van de WNT sprake van een tussen partijen overeengekomen ontslagvergoeding. Die ontslagvergoeding geldt daarmee wel als uitkering wegens beëindiging van het dienstverband en wordt derhalve genormeerd door de WNT.

Nadere informatie inzake het recht op een transitievergoeding op grond van artikel 673 van Boek 7 BW kunt u vinden op www.rijksoverheid.nl, bij onderwerpen, onder ‘ontslag’.