Het opnemen van doorbetaald gespaard vakantie- en compensatieverlof leidt tot correctie van de omvang van het dienstverband (meer precies: tot correctie van de deeltijdfactor) en daarmee tot correctie van het individueel toepasselijk bezoldigingsmaximum in het kalenderjaar waarin het spaarverlof wordt opgenomen. Deze correctie blijft echter achterwege in de volgende situaties:
- Indien en voor zover sprake is van opname van spaarverlof dat is opgebouwd uit andere verlofrechten die bij opname van die andere verlofrechten niet zouden leiden tot een aanpassing van de omvang van het dienstverband (bovenwettelijke vakantiedagen of compensatieverlof als bedoeld in artikel 7, vijfde lid, onderdeel a, Beleidsregels WNT 2026); of
- Indien en voor zover de deelname voortvloeit uit een recht op doorbetaald verlofsparen of spaarverlof dat rechtstreeks, dwingend en eenduidig uit een cao voor werknemers, een andere collectieve regeling voor werknemers of een wettelijk voorschrift voortvloeit en dus niet enkel en alleen uit een individuele afspraak in (bijvoorbeeld) de arbeidsovereenkomst. Zie artikel 7, vijfde lid, onderdeel b, Beleidsregels WNT 2026. Er is bijvoorbeeld ook sprake van een individuele afspraak die tot de bedoelde correctie moet leiden voor zover de topfunctionaris niet rechtstreeks onder de cao valt maar er in de arbeidsovereenkomst (via een schakelbepaling of anderszins) is bepaald dat de voor werknemers van de betreffende WNT-instelling geldende cao-bepaling over verlofsparen of spaarverlof van (overeenkomstige) toepassing is. Voor de duidelijkheid: artikel 11, eerste lid, onder r, onder 1°, Wet op de loonbelasting 1964 geldt in dit verband niet als een wettelijk voorschrift als hiervoor bedoeld, want die bepaling geeft zelf geen recht op sparen van verlof maar bepaalt alleen welk deel van het spaarverlof fiscaal is vrijgesteld.
Correctie van de omvang van het dienstverband (deeltijdfactor) en daarmee van het individueel toepasselijk bezoldigingsmaximum moet ook plaatsvinden voor zover méér verlofsparen of spaarverlof wordt opgenomen onder doorbetaling van de bezoldiging tijdens dat verlof dan de maximaal 100 weken die belastingvrij mogen worden gespaard. Dit geldt ongeacht of de deelname wel of niet rechtstreeks, dwingend en eenduidig voortvloeit uit een cao voor werknemers of en andere collectieve regeling voor werknemers of een wettelijk voorschrift. Het meerdere van dat verlof moet dan in mindering worden gebracht op de omvang van het dienstverband (deeltijdfactor) voor de toets aan het bezoldigingsmaximum.
Voorbeeld 1
Topfunctionaris A neemt sinds 1 januari 2021 deel aan de regeling voor spaarverlof van WNT-instelling X. De regeling voor spaarverlof is opgenomen in de cao die op X van toepassing is en A valt rechtstreeks, dwingend en eenduidig onder de werkingssfeer van die cao. A maakt gebruik van de cao-regeling voor spaarverlof en spaart jaarlijks vier weken doorbetaald verlof op. In kalenderjaar 2025 neemt A (aaneengesloten) twaalf weken gespaard doorbetaald verlof op. De opname leidt in dit geval niet tot correctie van de omvang van het dienstverband (deeltijdfactor) en dus niet tot correctie van het individueel toepasselijk bezoldigingsmaximum.
Voorbeeld 2
Topfunctionaris B neemt sinds 1 januari 2021 deel aan de regeling voor spaarverlof van WNT-instelling Y. De regeling voor spaarverlof is opgenomen in de cao die op Y van toepassing is, maar B valt niet rechtstreeks, dwingend en eenduidig onder de werkingssfeer van die cao. In de arbeidsovereenkomst tussen Y en B is bepaald dat B mag deelnemen aan de cao-regeling voor spaarverlof en B bouwt ook spaarverlof op. B spaart jaarlijks vier weken doorbetaald verlof op. In kalenderjaar 2025 neemt B (aaneengesloten) twaalf weken gespaard doorbetaald verlof op, waarvan acht weken zijn gespaard uit reguliere bovenwettelijke vakantiedagen of -uren.
De twee weken die zijn opgebouwd uit reguliere bovenwettelijke vakantiedagen of -uren zouden bij opname van die reguliere rechten tot een maximum van acht weken (zie artikel 7, vijfde lid, onderdeel a, sub ii, Beleidsregels WNT 2026) niet hebben geleid tot aanpassing van de omvang van het dienstverband, en leiden in 2025 niet tot een correctie van de omvang. De resterende vier weken leiden wel tot een correctie van de omvang van het dienstverband omdat de deelname aan de spaarverlofregeling niet rechtstreeks, dwingend en eenduidig uit een cao voortvloeit. Hierbij wordt als startpunt de werkelijke omvang van het dienstverband gehanteerd.
Door correctie van de omvang van het dienstverband (deeltijdfactor) kan de werkelijke bezoldiging in 2025 hoger uitkomen dan de bijgestelde individuele toepasselijke norm. Hierbij blijft de mogelijkheid bestaan om bezoldiging over spaarverlof dat aantoonbaar in een eerder kalenderjaar is opgebouwd voor de toets aan het bezoldigingsmaximum aan dat eerdere jaar toe te rekenen (met toepassing van en onder de voorwaarden van artikel 3, tweede lid, Uitvoeringsregeling WNT).
N.B.: De hiervoor beschreven gevolgen voor de WNT treden op voor zover gespaard verlof dat is opgebouwd in de periode van functievervulling als topfunctionaris wordt opgenomen gedurende of bij beëindiging van de periode van functievervulling als topfunctionaris, inclusief de nawerking van het zijn van topfunctionaris gedurende vier jaren nadat de topfunctie is neergelegd of beëindigd en er sprake is van behoud van een dienstverband bij dezelfde WNT-instelling (topfunctionaris zonder topfunctie als bedoeld in artikel 1.1, onder b, sub 6°, WNT).