Hoe wordt omgegaan met de afkoop van niet opgenomen vakantiedagen bij beëindiging van het dienstverband indien het bezoldigingsmaximum wordt overschreden?

Vanaf 2019 wordt in de volgende twee situaties de afkoop van vakantiedagen niet aangemerkt als bezoldiging:

a. De afkoop van niet-opgenomen wetttelijke en of niet-wettelijke vakantiedagen
die in de twaalf kalendermaanden voorafgaand aan het einde van het dienstverband zijn opgebouwd en niet zijn vervallen. Dit aantal mag niet meer zijn dan het maximum van viermaal de overeengekomen arbeidsduur per week. Of

b. De afkoop van niet-opgenomen wettelijke vakantiedagen:

  • die na het verstrijken van de zogenoemde wettelijke vervaltermijn niet zijn vervallen, omdat de topfunctionaris ze redelijkerwijs aantoonbaar niet heeft kunnen opnemen binnen de gestelde termijn vanwege bijzondere omstandigheden én
  • waarvan op het moment van het einde van het dienstverband ook de zogenoemde wettelijke verjaringstermijn niet is verstreken.

Toerekening aan eerdere jaren (o.g.v. artikel 3, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling WNT) en bovengenoemde bepaling over afkoop van vakantiedagen kunnen naast elkaar toegepast worden. Hierbij geldt er geen voorrang, maar wat in de voorkomende situatie het beste voor de topfunctionaris uitkomt.

Let op! Voor zover de afkoopsom niet wordt aangemerkt als bezoldiging wordt het ook niet aangemerkt als ontslaguitkering voor zover het gaat om tijdens onvrijwillige non-activiteit opgebouwde vakantiedagen.