Hoe moet worden omgegaan met de toerekening van bezoldigingscomponenten?

Een bezoldigingscomponent moet voor de toetsing aan het toepasselijk bezoldigingsmaximum worden toegerekend aan het kalenderjaar waarin deze component in de salarisadministratie wordt verwerkt of, als de functionaris niet via de salarisadministratie wordt uitbetaald, aan het jaar waarin de component ten laste van het resultaat van de rechtspersoon of instelling komt.

Een uitzondering op dit uitgangspunt is gemaakt voor de situatie dat de bezoldigingscomponent betrekking heeft op een eerder kalenderjaar dan waarin deze in de salarisadministratie wordt verwerkt dan wel ten laste van het resultaat. In dat geval kan de bezoldigingscomponent – uitsluitend voor de toetsing aan het toepasselijk bezoldigingsmaximum – worden toegerekend aan dat eerdere jaar. Dit betekent bijvoorbeeld dat de afkoop van vakantiedagen mag worden toegerekend aan het jaar waarin de vakantiedagen blijkens de verlofadministratie zijn opgebouwd. Dit is alleen van belang, indien in het jaar van uitbetaling het individueel toepasselijke bezoldigingsmaximum vanwege deze uitbetaling wordt overschreden.

Let op: Toerekenen aan een eerder jaar mag echter alleen voor zover er in dat betreffende jaar nog ruimte resteert tot aan het voor dat jaar geldende bezoldigingsmaximum. Het resterende bedrag dient aangemerkt te worden als onverschuldigd betaald in het kalenderjaar waarin deze component in de salarisadministratie wordt verwerkt of, indien de component niet in de salarisadministratie wordt opgenomen, in het jaar waarin de component ten laste van het resultaat van de rechtspersoon of instelling komt.